vrijdag 16 november 2012

Bij de dood van een schrijver

"Mijn beschermengel is aan uitputting bezweken"' De Zwarte Mannen zijn verdrietig. Zwarte man Sandman staat stil bij de dood van een schrijver. Hij staat stil bij de dood van een groot veenkoloniaal schrijver. Hij staat stil bij de dood van Nanne Tepper. Sandman geeft de treurnis woorden.

Henry Wallis - The Death Of Chatterton, 1856, Tate Britain

Een opmerking van hem heb ik goed in de oren geknoopt: Niemand zit op je te wachten. Daarmee doelde hij op de vaderlandse literaire wereld, steevast aangeduid als ‘Luiletterland’. In zijn ogen bevolkt met gemakzuchtige schrijvers, onkundige uitgevers, critici die er he-le-maal niks van begrepen en redacteuren met een ego zo groot als de Hoornse Plas. Nanne gruwde er van, al kwam de constatering niet voort uit bitterheid, het klonk vooral realistisch.

Hij zei het in een publiek vraaggesprek met DvhN-verslaggever Bram Hulzebos, ik meen in het Poortershoes, jaren geleden, toen er in Groningen nog elke week een literaire bijeenkomst op de agenda stond. Het was een bijzonderheid dat Nanne aanschoof, want ook van het stadse culturele leven hield hij zich verre. Nanne Tepper was een schrijver die volledig in beslag werd genomen door het schrijven.

Wat we gemeen hebben is onze achtergrond. Hij komt uit Hoogezand en Veendam, ik uit Stadskanaal. Dat is dezelfde wereld. Daarmee houdt elke vergelijking op. Ik schrijf voor de glimlach en soms de ontroering, hij was genadeloos. Genadeloos in zijn verhouding tot de letteren, genadeloos tot alles wat nep was en van kwaliteit gespeend en genadeloos naar de mensen om hem heen.

Ik keek tegen hem op.

Om zijn bravoure, om zijn schrijftalent en om het feit dat hij zijn achtergrond, zijn Veenkoloniale roots, op een hoger plan had getild. In zijn debuutroman De eeuwige jachtvelden en in de novelle De avonturen van Hillebillie Veen.

Buiten het interview met Hulzebos, waarvan ik verslag deed in de Gezinsbode en waarvan voornoemde zin zelfs de kop was, heb ik hem twee keer gesproken. De eerste keer toen ik hem voor de Veendammer interviewde, nadat De vaders van
de gedachte was genomineerd voor de Libris Literatuurprijs. Dat was in zijn huisje in De Oosterpoort. Alles in hem ademde een volledige overlevering aan het geschreven woord. Zijn boeken, zijn gerook, zelfs in de manier waarop hij zijn flesje bier vasthield zag ik literatuur. Wat hij zei, daarvan heb ik weinig begrepen. Dat lag aan mij. Ik was net toe aan Hemingway en Thompson, terwijl Nanne, zoals hij zei, tijdens de nachten waarin hij schreef ‘in gesprek’ ging met zijn helden: Nabokov, Faulkner, Baudelaire.

Hij kon ook goed poseren.

De tweede keer was een paar jaar geleden, ik meende na het verschijnen van De lijfbard van Knut de Verschrikkelijke. Ik wilde weer een interview. Ook omdat hij met een grote roman bezig zou zijn. Dat ging niet, zei de uitgever. Doe hem dan maar de groeten, schreef ik en tot mijn verbazing kreeg ik een mailtje terug. We schreven wat heen en weer en besloten tot een kopje koffie. In zijn huisje bij het Noorderplantsoen.
Dat kon alleen ‘s ochtends. Vanwege het ‘gedonder in mijn hoofd’, dat hem al zijn hele leven bezighield, deed hij ‘s nachts helemaal geen oog meer dicht. Alleen ‘s middags lukte dat, een paar uurtjes. Zijn ziekte was een soort van point of no return gepasseerd. Schrijven bleek onmogelijk geworden. Lezen ging nauwelijks. Mailen wel, korte stukjes. Tussen het roken door toonde hij zich genadeloos als altijd. Ook naar vrienden, met wie hij was gebrouilleerd. Er was inderdaad een idee voor een grote historische roman, maar het was duidelijk: die zou nooit verschijnen.

Een lichtpuntje was wel dat hij, ontdekte ik later, voor Prime Time schreef, het twee-wekelijkse periodiek van Elpee Groningen. Maar de berichten van Jan en Jan van Elpee waren wisselend, evenals de frequentie van zijn bijdragen. De laatste keer dat ik naar hem vroeg, was het: ‘nou, hij was bijna niet meer onder ons geweest’. Een autoritje, zijn enige pleziertje nog, was in het water geĆ«indigd en hij kon maar net gered worden.

Was dat het laatste zetje? Ik weet niet of hij dood wilde. Het is duidelijk dat hij niet verder wilde leven, maar volgens mij zijn dat twee verschillende dingen.

Bram Hulzebos kwam donderdagochtend even langs. Hij vertelde wat de uitgever had bevestigd. Daar was ik even stil van. Niet uit verbazing, maar ik had gehoopt dat hij het niet zo doen. Nanne was echter ook genadeloos voor zichzelf.

Herman Sandman

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen