zaterdag 6 oktober 2012

Bob Dylan (reprise)

Er zijn van die dagen dat het leven je als zwarte man toelacht. O.k. het weer in de Veenkolonies liet vanochtend te wensen over, maar met een eclatante overwinning uit tegen Volendam in de achterzak en een kop verse koffie voor je begint de dag met een glimlach. Het leed van de wereld dat middels de krant tot je komt doet hier niets aan af. Henk Mulder had het deze week in het Dagblad al een aantal keer over het directeurs gedoe bij de SC. Jan Mulder trekt het vandaag in de krant naar een hoger plan en refereert aan het feit dat veel bekende wereldburgers graag de provincie Groningen aandoen. "De wereld houdt van het Hogeland en het Oldambt, dat is het eenvoudige geheim achter al die naar Usquert en Nieuwolda fietsende rocksterren," Zwarte man Sandman bracht hem middels een column op dit spoor. Jan Mulder roept op deze column elk jaar opnieuw in de krant te plaatsen. Wij voelen ons vereerd. Verplicht in de herhaling dus.


De eerste keer dat ik het verhaal hoorde dacht ik: ‘ja hoor en Aretha Franklin is gek op haring’. Albert, die mij inwijdde in wat een van de best bewaarde geheimen van Groningen moest zijn, kende ik echter als een serieuze man. Hij vertelde het verhaal ook zonder met de ogen te knipperen.

Bob Dylan, dé Bob Dylan, bracht tijdens Europese tournees wel eens een bezoekje aan het noorden van Groningen. De beroemde Amerikaanse singer/songwriter ging dan fietsen in de buurt van Noordpolderzijl. Hij vond het Hogeland mooi. De streek, het landschap, deed hem denken aan het gebied waar hij vandaan kwam, Duluth, Minnesota.
Ik had geen reden om aan de woorden van Albert te twijfelen, maar het klonk te mooi om waar te zijn. Tot ik enkele weken later met Douwe in café De Drie Uiltjes zat. Douwe was een echte Dylan-fan en ik vertelde wat ik had gehoord.
“Hm”, zei hij.
Daarop kwam hij met een nog mooier verhaal.
Henk Scholte, onze Henk Scholte, in stad en ommeland bekend als verhalenverteller en folkzanger, was op een goede dag in Noordpolderzijl en stapte ’t Zielhoes binnen.
“Hou is t?”, vroeg Henk aan de waard, de fameuze (inmiddels overleden) Siert van Warner.
“Rustig”, was het antwoord, “d’r zit allennig n gekke Amerikoan aan de bar kovvie te drinken.”
Waarop de blik van Scholte richting hoek van de bar ging en hij bijna een hartverzakking kreeg.
Bob Dylan.
Scholte begon vervolgens tegen de kroegbaas uit te varen: “Dat is gain gekke Amerikoan. Waist doe wel wel dat is??!! Dat is Bob Dylan!!!”
Van Warner was niet onder de indruk: “Dat kin mie hailemoal niks schelen. As hai zien koffie moar betoalt.”
Een regel in de journalistiek was dat je kon publiceren als een verhaal door drie onafhankelijke bronnen werd bevestigd. Ik vond twee mooi zat en schreef er een column over in de Groninger Gezinsbode. Het – naar het zich laat aanzien waargebeurde – verhaal zong zich binnen de kortste keren rond in Groningen en omstreken. Iemand belde zelfs de Vpro en het verhaal werd onmiddellijk gekopieerd naar diverse sites.
Het liet mij evenmin los en ik dacht, laat ik het Bob gewoon vragen. Er was een officiële site, met een e-mail adres (foggy@bobdylan.com) en wie niet waagt, die niet wint, nietwaar?
Het duurde even, maar verdomd, ik kreeg een mailtje terug:

Dear, Mr. Herman Sandman,
The story is correct, though it happened quite a few years ago, in the early nineties maybe. We had a concert in the City of Groningen. Somebody knew I was fond of biking and that the area, wich you call highland, was like the landscape around my hometown,
Duluth, Minnesota. I remember names like Usquert, Stitswerd, Zandeweer. We drank coffee in a café, with a strange owner. He just sat there. But you know, I liked it, because it was the first place where people didn’t gaze at me. When paying my coffee I had the funny feeling that he didn’t trust me at all, not knowing who I was. And you are right: a white bearded man came in. He looked like a fiftie year old Jezus with a hangover. It was a druïde, I guessed. But the strangest thing happened the next day, when we where in a place called Beecham (is that correct?). We entered a bar and there was David Crosby… Very weird.

With respect, Bob.

Waarop ik weer antwoordde:

Dear Mr. Dylan,
The white bearded man was Henk Scholte. He is a famous storyteller and folksinger, in a band called Törf. The place is not Beecham, but Veendam, famous for its Jugendstil-houses. The name of the café was ‘t Aaierdoppie. It doesn’t exist anymore. The bartender who looks like a twin brother of David Crosby is Bé Wever. Thank you for your answer and good luck with your furthere carreer.’

Eddy, bassist en tekstschrijver van Törf vertelde me een week later dat Henk er bijkans knettergek van werd. Iedereen sprak hem aan over Bob Dylan en hij moest het verhaal steeds opnieuw vertellen. “Maar…”, zei Eddy, “Dylan is niet de enige die hier wel eens rondloopt. Weet je dat Meryl Streep Groningen ook kent, de stad dan?”
De Amerikaanse actrice bezocht – anoniem naar ik aanneem, anders was het mij niet op zo’n geheimzinnige manier verteld en anders had museumdirecteur Kees het wel aan de grote klok gehangen – het Groninger Museum. Het intrigerende was dat dit verhaal in brokjes bij mij kwam. Eerst hoorde ik dat ze iemand van het museum kende, later bleek het om een kunstenaar uit de stad te gaan, die haar had rondgeleid. Naarmate ik er vaker naar vroeg, kwamen meer en meer details los.
Op een vakantiereis in Thailand had de kunstenaar het echtpaar Streep ontmoet. Er was iets met de man van Meryl. Die werd ziek of zo en de Groninger had haar geholpen. Uit dat contact groeide een vriendschap en daarbij horen bezoekjes over en weer en zo kon het gebeuren dat Meryl langskwam in die prachtige stad, zo fraai gelegen in het al even schitterende ommeland.
Wat ze hier precies deed of gezien heeft, is onbekend. Dat zullen de gebruikelijke highlights zijn geweest: ‘t Peerd van Ome Loeks, de Grote Markt, Folkingestraat, Martinitoren, Martinikerk, Benzinebar en Groninger Museum. O ja, ze kocht een broek in een winkel in de Herestraat.
In dit geval vond ik één bron voldoende (je moest een verhaal nooit dood checken) en ook dit verwerkte ik in een column en toen ik even daarna Douwe weer sprak diende het volgende verhaal zich reeds aan. Terwijl ik een kopje bonensoep nuttigde in Leescafé Belcampo in de Openbare Bibliotheek, stelde Douwe (die bij de bieb werkte) zich de totaalbeleving voor, als ik met mijn zoon Hunter voor het eerst de bibliotheek van Slochteren zou betreden. In datzelfde pand zijn immers bank en artotheek gevestigd. Ik antwoordde dat we net bij ‘t Pannekoekschip hadden gegeten en dat we weer even vooruit konden, qua totaalbeleving. Hunter kreeg een kleurplaat met potloden, een Jip en Janneke-pannenkoek en tot slot een ballon. Van enthousiasme stond hij de hele maaltijd op de bank en kon met erg veel moeite bij de enorme pot stroop vandaan gehouden worden. We waren ’s avonds bekaf.
Ik was nog niet uitgesproken of Douwe priemde dreigend zijn vinger in mijn richting: “Weet je wie daar ook graag heen gaat?”
Geen idee, natuurlijk.
“Walter Trout!!!”
Dé Walter Trout. De bekende Amerikaanse bluesgitarist?
“Zal wel.”
“Ja, echt waar. Wanneer de man hier in de buurt optreedt, wil hij met alle geweld naar ’t Pannekoekschip.”
Gezien zijn postuur moet Trout een gezonde eter zijn, maar er was een grens aan hoever je een fantastisch verhaal kon oprekken. Na wat ik had opgeschreven over Dylan en Streep zou niemand deze anekdote geloven. Ik geloofde het zelf maar half.
“Toch is het zo”, ging Douwe verder, “Walter is dol op pannenkoeken. Zelfs als ie in Hamburg speelt, wordt er een auto met chauffeur geregeld en komt meneer naar Groningen, om aan het Schuitendiep pannenkoeken te gaan eten.”
Ook dit bleek te kloppen. Ik kreeg het verhaal bevestigd van Peter, sinds jaar en dag muziekprogrammeur van cultureel centrum De Oosterpoort en in die hoedanigheid bekend met de wensen van Trout.
Wat we leren van deze beroemdheden was dat in de Martinistad de nadruk werd gelegd op de verkeerde toeristische trekpleisters. Niet het Groninger Museum, de Martinitoren, de Folkingestraat, de diepenring of de Grote Markt hadden de interesse van celebrities als Dylan, Streep en Trout, maar ’t Zielhoes, de kledingwinkels in de Herestraat en ’t Pannekoekschip.
Dat Lou Reed en Laurie Anderson, tijdens een bezoek van een iets recenter datum aan de stad, plaatsnamen achter het carillon van de Martinitoren, verbaasde me niet.
Anderson was in oktober 2008 een van de drie componisten om wie het Americans Festival van Noord Nederlands Orkest en Stichting Prime draaide. Ze kwam naar Groningen en wat iedereen had gehoopt en gebeurde was dat echtgenoot Lou haar vergezelde. Hij deed zelfs tien minuten mee met het concert van zijn vrouw en zong nog een oud liedje. Hoewel het bijzonder was dat ie überhaupt in De Oosterpoort stond, hield het optreden eerlijk gezegd niet over. De man zag er niet uit. Gekleed in een zwarte spijkerbroek en zwarte T-shirt en met gymschoenen die totaal niet bij zijn leeftijd pasten, kreeg ik de indruk dat we zaten te kijken naar Gekke Henkie, die net bij de Josti Band zit en oké, wel op het podium mocht, maar alleen om een beetje mee te neuriën.
Van de directeur van het NNO hoorde ik ook dat het helemaal geen aardige man was. Hij dronk wel vijf espresso’s achter elkaar, had geen idee waar ie was en gromde en snauwde om zich heen, ook tegen Laurie. Terwijl zij heel aardig was en hem overal bij betrok. Reed leek het bewijs dat je niet jarenlang er maar een beetje op los kunt leven, onderwijl naar hartenlust snoepend uit de pot met geestverruimende middelen. Je betaalde een keer de rekening.
Wél intrigerend was dat Reed op dinsdag arriveerde, terwijl het concert, met de Nederlandse première van Homeland, pas zaterdag plaatsvond. Hij was hier zelfs eerder dan Anderson, die op woensdag werd verwelkomd. Toen ik dat hoorde vroeg ik me onmiddellijk af: wat heeft hij in die tijd gedaan?
“Beetje rondkijken”, zei de NNO-directeur.
Wáár hij precies rondkeek werd niet duidelijk. Ik had het wel willen vragen, maar het concert begon.
Wellicht zijn er mensen die Reed hebben zien rondbanjeren. Waarmee heeft ie zijn tijd gevuld? Met espresso’s drinken bij Talamini? Een visje bij Snip? Toch even kijken bij het Groninger Museum? Hij heeft in die vier, vijf dagen moeten eten en drinken en dat deed je niet steeds in je hotel en je bleef ook niet de hele dag op je kamer, dus hij heeft Groningen verkend en dus heeft Groningen hem gezien.
Wáár?
Dat was de vraag. Als je hem zag drong dat natuurlijk niet meteen door.
“Hé, kiek, die vent doar liekt wel wat op Loe Ried.”
“Riet doe die moar eem aine oaf. Wat mot dai hier in stad?”
Wáár?
Met Laurie achter het klavier in de Martinikerk, las ik in het Dagblad van het Noorden. Ze waren uitgenodigd door Dylan-fans Kris en Eddy en kregen een rondleiding van beiaardier Auke.
Maar dat duurde geen vijf dagen.
Wáár nog meer?
Ik wist het natuurlijk wel. Het lag eigenlijk voor de hand. Hij is gaan fietsen in de buurt van Noordpolderzijl.
Een tip van Bob.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen