zaterdag 14 juli 2012

Een zwarte man in de oriënt

Herman Sandman ging twee jaar gelden met het Groninger Museum op persreis naar de Orient, als voorbereiding op de expositie Het onbekende Rusland - Orientalistische schilderkunst 1850-1920. Hij deed daarvan verslag op de website van de Groninger Gezinsbode. Het bleken, achteraf, de observaties van een zwarte man. Een feuilleton in vijf dagen.

Dag 1

Een even gekmakende als ontroerende eigenschap van de Groninger is dat hij niet graag te laat komt. Ook kan hij niet best zonder slaap en aangezien het inchecken op woensdag om 05.10 uur stond gepland, togen collega M. van het Dagblad van het Noorden en ik op dinsdagavond naar Schiphol, alwaar een via internet geboekt hotelletje op ons wachtte en we, na een biertje, of misschien een wodkaatje, het vermoeide lijf nog even ten ruste konden leggen. De andere optie was de Schiphol-taxi, maar die vertrok al om één uur uit de Martinistad, want die moest nog over Kampen, Emmeloord, Bakkum, Vriezenveen en meer van dat soort negorijen.
Op de luchthaven bleek dat het hotelletje zich achter de douane bevond en daarvoor hadden wij paspoorten nodig en die konden we pas de volgende dag ophalen bij de balie van SRC-Cultuurvakanties. De Russische ambassade moest daar immers een visum in plakken. Dus hadden wij een probleem.
‘Een uitdaging’, vond de douanier.
‘Stik me je uitdaging’, dacht ik, ‘dit is kloten.’
‘Zelfs al laten wij je door, dan heb je morgen nog een probleem want dan moet je weer terug’, legde de grenswacht uit.
‘We hebben een probleem dus’, zei ik.
Dat vond collega M. ook, vooral omdat het al elf uur was en het niet veel zin had een ander hotel te zoeken. Je was zo een uur verder en we zouden er vroeg uit moeten, rekening houdend met vervoer van hotel naar airport via shuttlebus. Er restte ons nog maar een ding: een bar zoeken en bier drinken.
Dat werden er twee, vier, zes, acht (halve liters uiteraard, ook M. groeide op in Stadskanaal) en nog één voor de road, zodat wij om half vier, toen de dag nog moest beginnen, aan het eind van onze krachten waren. Met holle ogen en een bieradem gaven wij onze medereizigers een hand. We waren met zijn zevenen. Collega-journalisten, naast M. nog vier en Josee van het Groninger Museum, op wiens uitnodiging we gretig ‘ja’ hadden gezegd voor de persreis die ons naar St. Petersburg, Moskou en de Armeense hoofdstad Yerevan zou voeren, als voorbereiding op de expositie Het onbekende Rusland – Oriëntalistische schilderkunst 1850 – 1920. Na het ophalen van de paspoorten viel collega M. als een blok in slaap op een ijzeren bankje in Vertrekhal 1.
De nacht had zich in een David Lynch-achtige setting voltrokken, in een zo goed als verlaten luchthaven. Ik had bij Schiphol het beeld van een bruisende metropool, ‘de leukste stad van Nederland’ volgens M., maar we zagen dichte rolluiken. De hallen waren leeg, met hier en daar een eenzame ziel (of een mens op doorreis), die zich in een hoekje terugtrok. We kwamen een heel eind met de wereld naar de noden en wensen van de mens in te richten, dat wil zeggen, als een pretpark, maar het lukte op momenten als dit nog niet helemaal. Gewend als ik was aan de leegte van de Veenkoloniën vond ik het niettemin ontroerend om te zien hoe een ouder echtpaar achter een biertje zat. Toch mooi als je het samen zo ver had geschopt dat je op een goede dag om half drie ’s nachts met zijn tweetjes in een bar op een verlaten Schiphol zat.
We, collega M. en ik, kwamen tot de conclusie dat Eelde een volwaardige luchthaven moest worden, met zes keer per dag een vlucht op Schiphol, zodat je als Groninger niet op een godsonmogelijk tijdstip je nest uit hoefde als je een keer de wijde wereld in wou.
We praatten verder over het leven in het algemeen en dat in het noorden in het bijzonder, over de toekomst van de krant en, wijzend op het wezen van zijn iPhone kwamen we nogmaals tot de conclusie dat er vanaf Eelde zes keer per dag naar Amsterdam moest worden gevlogen. Probeer dat nou eens voor elkaar te krijgen, zeiden we in gedachten tegen onze bestuurders. Denk niet lokaal, denk niet provinciaal, denk internationaal en na een filosofisch debat over zijn iPhone kwam collega M. zo rond drie uur tot de conclusie dat: ‘het wezen van de mens niet bestaat’.
Dat leek me een belangrijke mededeling en het leek ook belangrijk om te gaan inchecken, want ineens, uit het niets, was Schiphol weer volgestroomd met mensen. In het vliegtuig, een cityhopper van de Lufthansa, ratelde de gezagvoerder, zonder dat iemand naar hem luisterde door over ‘das die Wettervorherzage gut ist, herzlich wilkommen übrigens danke dass sie mit uns fliegen, wir, die Bemannung sind auf jedenfals froh und ich bin captain Heinrich Do ist de Bahnhof und links sehen sie Frankfurt und rechts Dusseldorf und wir vliegen zwischen die 600, don’t mention the war und 800 kilometer pro Stunde, das weiss ich auch nicht mehr ein schonen Tag noch scheisse, oh nee, doch nicht. Grüss Gott’.
Het verlangen naar een vet Duits ontbijtje met Bratwurst und Sauerkraut werd niet ingewilligd. Een zakje met twee minieme sandwiches en een bekertje koffie was al. Bij het taxiën wel het mooiste woord van vandaag gezien: Bremsklötze.
Manni, wo hast du die Bremsklötze gelassen?
Ulli, du Arsch, die bissen dir doch fast in der Nase. Links hinter die Klapkiste.’
In het vliegtuig van München naar Sint Petersburg zat, afgaand op zijn stem, Franz Beckenbauer aan het roer en konden we wat slaap inhalen en in de meer dan ruime hotelkamer kwam ik weer tot mijzelf. In de bus van vliegveld naar hotel praatte gids Inessa ons in een uur bij over de geschiedenis van Sint Petersburg sinds 17nogwat, dat beurtelings Leningrad en Petrograd had geheten, 65 riviertjes herbergde en we reden langs veel grote gebouwen en ik zag een Chevrolet Tahoe met een kogelgat in de voorruit en tijdens de gezamenlijke maaltijd, waarbij we Russische champagne dronken, verklapte Josee dat ze inzette op een spectaculair figuur om de expositie te openen.
Wij gokten op Borat.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen