dinsdag 22 mei 2012

Stuitend

Dat de grenzen van de psychoanalyse voor zwarte man Bill zijn bereikt bewijst zijn schrijven. Alle gedragingen een plek willen geven en er ook nog begrip voor hebben heeft zo zijn keerzijde. Op de lagere school toen het fenomeen kringgesprek in zwang kwam deed iedereen om de beurt zijn zegje en moest je van de juf of meester vooral respect en begrip tonen voor elkaars gedrag. In de zandbak en het schoolplein gebeurden soms de meest vreemde en gemene dingen en toen al vond je de ieder mens is uniek gedachte niet helemaal kloppen. Het gedrag van een aantal klasgenoten was toen al enigszins verdacht. Als kind was je niet in staat dit verbaal adequaat te pareren. Bill is geworden tot wie hij nu is, een zwarte man. Bill schudt het verleden van zich af en kijkt vooruit. Hij heeft de drang om statements te maken. Door een ieder aardig gevonden worden is natuurlijk leuk, maar Bill wil ook in alle vrijheid ongenuanceerd een boer of een scheet kunnen laten. Natuurlijk kan en mag een mens fouten maken en zijn berouw en genade sleutelbegrippen, maar laten we niet uit het oog verliezen dat de mens geneigd is tot alle vormen van kwaad. Zwarte man Bill wil dingen bij de naam noemen. Luid en duidelijk. Zoals het een echte zwarte man betaamt.



De grootste tragiek van Nederland is ons stompzinnig syndroom om steeds weer het braafste jongetje van de klas te willen zijn. Het wordt ook nog eens massaal beleden door iedereen in dit kleine kut land. Zelfs door mij!
Als ik bijvoorbeeld in mijn rolstoelbus aan het werk ben, dan houd ik mij veel keuriger dan strikt noodzakelijk is aan de regels. Mijn klanten zet ik op vier punten vast en ik bind ze altijd een veiligheidsgordel om. Mocht ik hun daarbij per ongeluk aanraken, dan bied ik daarvoor uitvoerig mijn excuses aan. Eenmaal op weg rij ik over het algemeen vlot door stad en land, maar een snelheidsdrempel passeer ik steevast met een slakkengangetje. En ik begin ruimschoots op tijd te remmen, als ik alleen al ruik dat het stoplicht twee blokken verderop op rood springt.

Dat gaat intuïtief, omdat ik zeer in touch ben met mijn vrouwelijke zijde.

Ik heb verdorie ook overal begrip voor. Waarom de wereld nog zuiver zwart-wit bezien, als het ook middels de veelbesproken helikopterview kan? Een tegenstander noem ik niet langer een klootzak maar een opponent, die alleen maar met een andere invalshoek naar de materie kijkt dan ik. Verder leven we in dezelfde wereld, waarin we het eens zijn het met elkaar oneens te zijn. Zo is het toch?
Net zoals ik ook veel begrip aan de dag leg voor mensen die niet roken. Ze willen niet dat hun kleren stinken. Ze willen schone lucht om zich heen. Mocht er zo iemand al eens bij mij in de auto zitten, dan steek ik gedurende de rit niet eens een sigaret op, ook al is mijn wagen mijn eigen privé koninkrijk waarin ik de scepter zwaai en waar het leven onder de verlichte despoot die ik ben bijzonder goed te noemen is. Al zeg ik het zelf.
Ik glimlach mild om de radionieuwslezer die de term ‘sceptisch’ als ‘septisch’ uitspreekt. Ik beluister de argumenten van de 300 uitgeprocedeerde Irakese asielzoekers in het tentenkamp bij Ter Apel, zonder te willen oordelen. Dat doe ik ook niet over de regering die al een paar jaar lang kraait enorm te gaan bezuinigen. Ook verbaas ik me niet over het feit dat iedereen dat mantra zo langzamerhand overgenomen heeft en dat mensen tegenwoordig bijkans dogmatisch rond papegaaien dat er inderdaad flink in het vet gesneden moet worden. Want het zal ons toch niet gebeuren dat wij de kosten die met ons huidig bestaan samengaan overlaten aan de navolgende generaties?
Ik ben voor de Europese Unie en ik hoop dat de Grieken erin blijven, want de gewone Griekse man in de gewone Griekse straat kan er immers uiteindelijk ook niets aan doen. Ik ben voor de noodzakelijke hervormingen van de woningmarkt. Ik kan wel mijn bedenkingen hebben bij de financiële wereld, maar wat heeft dat voor zin als zeer belangrijke spelers daarin de institutionele beleggers zijn, die onze eigen pensioenbelangen behartigen?
En toen er een paar jaar terug ineens bier op de markt verscheen met bijzondere smaakjes en olijke kleuren, om zo de vrouwelijke consument te behagen, was ik daar een warm voorstander van, zonder ook maar een druppel van die bocht te willen drinken.
Sowieso drink ik ’s avonds geen koffie meer, maar thee.
En het afgelopen weekend was ik voor Bayern München in de finale van The Champions League, en dat was verdorie niet alleen maar omdat Arjen Robben daar speelt. Na de overwinning van Chelsea op de Duitsers leed ik mee, nog meer met Sebastian Schweinsteiger dan met onze eigen Robben.

Maar zo langzamerhand, zo langzamerhand, word ik werkelijk kotsmisselijk van mezelf.

Ik ben het beu.

Ik ben het zat.

Ik wil verdorie gewoon weer GODVERDOMME kunnen zeggen, zonder me daarvoor te verontschuldigen.
Ik hoef geen modern, hip, oogverblindend voetbalstadion, waar de nieuwe spelersaanwinsten op de jaarlijkse clubdag met een helikopter worden binnengevlogen.
Ik wil geen spellingcommissie die beveelt dat het woord ‘helikopter’ in het vervolg met een K geschreven dient te worden, als het een oorspronkelijk Engels woord is, waarin die hele K nergens te vinden is, niet eens in de wieken (op z’n Engels: ‘wings’).
In de Champions League wil ik zondermeer voor Chelsea kunnen zijn, alleen al omdat Engeland de oorlog gewonnen heeft, en omdat de Duitsers destijds gewoon hartstikke fout waren, en dat het niet minder dan onze plicht is dat feit bij onze oosterburen nog minstens 200 jaar onder de neus te wrijven.
Ik wil bij rood gewoon doorrijden als ik daar toevallig zin in heb en ik zie wel wat daarvan komt.
Ik wil in de pauze een vette braadworst eten met uitjes en een combi van curry saus, ketchup en mayonaise, terwijl een kerel naast mij door het hek staat te pissen.
Ik wil geen sponsoren met onuitspreekbare bedrijfsnamen die elk jaar opnieuw streven naar een moorddadig rendement van 20% en daarbij maar blijven fuseren en snijden in de personeelskosten, om vooral hun graaiende, gierige aandeelhouders tevreden te stellen.

Ik wil gewoon Kroon Worst.

Daarbij weet ik ook waar het om gaat: worst van de firma Kroon.

Ik heb liever een wedstrijd waarbij onze jongens strijdend ten onder gaan, dan een laf gewonnen 1-0. Ondertussen wil ik geen skybox, maar een plek op de statribune, waar ik de wind om me heen kan horen gieren en waar de regen in bakken neerkomt.

Ik wil weer weten dat stront gewoon stront is om daar in het vervolg weer ouderwets schijt aan te hebben.

En ik wil een honkbalknuppel om mee door de stad lopen.

Want in mijn geel-zwarte hart ben ik een Veendammer. Godverdomme ja!

© Bill Mensema

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen