maandag 16 april 2012

Zwarte man redt deerne uit het veen


door Black Bob

Onder de rook van mijn geboortedorp Lichtenvoorde in de Achterhoek ligt een uniek stuk veengebied dat ´t Vroagendervaene wordt genoemd. Het bevindt zich ten oosten van het rustieke buurtschap Vragender en daarmee dus ten westen van het verfoeide Winterswijk. Verfoeid, ja, want het is in Winterswijk vergeven van de grefo’s - door ons roomse Lichtenvoordenaren smalend die fien’n genoemd - die zelfs in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog schaamteloos in de kont van de toen nog impliciet foute Duitsers bleven kruipen. Ze doen dat nu nog steeds, zodat je als rechtgeaarde Nederlander door Winterswijkse middenstand steevast met een commercieel “Guten Tag, kann Ich Ihnen helfen?” wordt begroet, terwijl je in Lichtenvoorde een simpel "Moi" ten deel zou vallen.

Het Vragenderveen, dat onderdeel uitmaakt van het Korenburgerveen, is weliswaar hoogveen - en daarbij ook nog eens levend - maar toch: het is vooral veen.

In mijn prille puberteitsjaren waren we er eens met de klas. De meester wees ons de plekken aan waar het veen begon in te klinken, waar het water nog vrij spel had en vooral waar de vleesetende planten - ofwel de zonnedauw - in het veen te vinden waren. Hoe spannend was dat wel niet!
Terwijl de klas verderging, bleef ik er even hangen. Voorzichtig zwaaide ik met mijn vinger boven een zonnedauw. Zou die toehappen of niet? En zou ik snel genoeg mijn vinger kunnen terugtrekken? Ik was razend benieuwd.
Maar ineens klonk er een ijselijke gil. Ik draaide me om en zag hoe Anneloes verderop langzaam maar zeker wegzakte in het zompige moeras. Ze was in dodelijke paniek, want juist daar was het ook nog eens vergeven van de zonnedauw.
De meester en de rest van de klas waren inmiddels te ver weg. Wat nu? Ik bedacht me geen moment en rende op Anneloes toe. Ik moest daarbij natuurlijk voorzichtig handelen, maar toen ik eenmaal zeker wist dat er stevige bodem onder mijn laarzen was, reikte ik haar mijn hand. Ze greep de mijne, waarop ik begon te trekken. En trekken.
Het was een hels karwei want ze was maar liefst tweemaal zo zwaar als ikzelf, terwijl het moeras haar ook nog eens naar beneden zoog en de zonnedauw zich steeds dreigender naar haar toe boog. Eigenlijk was het godsonmogelijk, maar met alle kracht die ik in me had trok ik nogmaals. Nu met beide handen.
En zowaar! Het lukte. Beetje bij beetje kwam ze weer omhoog, totdat ze zich uiteindelijk weer veilig wist en zich opgelucht liet vallen.
Je zou denken dat ik daarmee het pad geëffend zou hebben voor mijn eerste seksuele ervaring maar ik oogstte niets ander dan chagrijn omdat een van haar met een bloemetjesmotief gesierde rubberen laarsjes in de zomp achter gebleven was.
Ik hoef denk ik niet te vertellen waar Anneloes vandaan kwam.

Het was die dag overigens snikheet en toen we uiteindelijk werden vrijgelaten heb ik in het toenmalige café Beneman het lekkerste biertje van mijn leven gedronken. Ik proef het nu nog bijna, godsamme.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen